Oordelen over een burgemeester zijn handelen van 80-75 jaar terug, in een andere tijd, valt niet mee.  Als raadslid komt een dergelijk oordeel vast en zeker op mijn weg. Dat is een beste opgave. In Romeinen 2 staat namelijk deze tekst: ‘Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook’. Ik ben dus voorzichtig met mijn oordeel.

Ik vraag me af hoe zou ik gehandeld hebben in 1940-1945? Zou ik een held zijn geweest of zou ik net als mijn opa,  toen een Duitse militair een geweer binnenstapte in de kleine Meppelse woonkamer en riep ‘mitkommen oder wir erschiessen Sie’, gewoon gedaan hebben wat gevraagd werd?

En hoe zou ik als één van de 31 raadsleden uit Hoogeveen anno 2020 gaan handelen? Zou ik voldoende wijsheid hebben om te oordelen over voorouders van 1945, 1958, 1963? Hoe waak ik voor het fenomeen ‘hindsight bias’?

Hindsight bias?
Dit psychologische verschijnsel kunnen we simpelweg vertalen als ‘met wijsheid achteraf’. Een gebeurtenis uit het verleden kan ik met de kennis van vandaag heel goed duiden, goed verklaren wat nu volstrekt logisch is. Ik heb ook het dossier 191 doorgelezen. Ik heb ook die zeker 7 lijsten met namen van onze Joodse inwoners gezien. Lijsten met namen en adressen, leeftijden, geboorteplaatsen. Heb de brief van 16 mei 1940 gezien. ‘De burgemeester van Hoogeveen was fout’…is het zo gemakkelijk? Ik dook in deze problematiek, maar loop tegen de nodige vragen aan. Graag zet ik mijn vragen op een rij. Hierbij de paragraven die ik steeds afsluit met een of enkele vragen. Zou het op prijs stellen als de onderzoekers, maar natuurlijk ook onze eigen streekhistoricus, deze vragen zouden kunnen beantwoorden. De paragraven:

  1. Dossier 191
  2. Burgermeesters in oorlogstijd
  3. Verzet vanuit het gemeentehuis van Hoogeveen
  4. Actie voor Tjalma
  5. Zuiveringen
  6. Ereburgerschap
  7. Onderzoek Peter Romijn
  8. Geen conclusie

1. Dossier 191
In Hoogeveen van vandaag ligt in het archief dossier 191. Albert Metselaar heeft het in 2014 al doorgelezen. Hij stuurde me op 18 april 2016 een verslag van de Jodenvervolging in Hoogeveen. Dat mocht ik gebruiken voor mijn lezing op basisscholen. Via ‘het verhaal van de eierkist’ kwam ik van 2016 uit in 1942. In april 2016 hadden we onze eerste gesprekken over Tjalma. Zelf heb ik toen geen mediacircus van willen maken. Worstelde toen al me de vraag ‘wat was goed en wat was fout’? Albert was toen al uitgesproken over Tjalma. Brand van Rijn heeft het eind 2019 anders opgepakt. Nota bene door het te betrekken bij de CDA-motie rondom het Holocaust-monument. En dankzij hem staat daarom staat ‘40-45’ bij (landelijke) media, publiek, college en raad volop in de aandacht. Wellicht vinden sommigen dat er belangrijker zaken zijn. Maar nu het op de agenda staat moeten we er ook goed en zorgvuldig mee omgaan. Het raakt aan de levens van Truus Stern of alle andere overlevenden van de Holocaust. En hun kinderen en kleinkinderen. De nabestaanden van Tjalma. Die van alle betrokken Hoogeveners. De volgens Albert slappe topambtenaren en hun nabestaanden. Het raakt ook de (kinderen van) Hoogeveense NSB-ers. De politieagenten met naam en toenaam genoemd in het dossier, de verzetsmensen die al dan niet zorgvuldig aan de slag gingen met de zuiveringen. De ARP die anno nu nog verwijten krijgt Tjalma de hand boven het hoofd gehouden te hebben. Maar ook de CdK van VVD-huize of de minister van de KVP…..

Omdat de SGP een motie heeft aangekondigd ga ik daarom op donderdag 23 januari 2020 zelf het dossier 191 doorlezen. Praten over informatie uit tweede of derde hand is niet mijn stijl. Archivaris Jeroen is uiterst vriendelijk. Het rommelige dossier geef ik de kwalificatie ‘weergave van een bureaucratisch-rationeel vernietingsapparaat’. Tientallen vragenbrieven van ‘Nederlandse instanties’ aan ‘heren burgemeesters’ zoals de aanhef vaak is, geven je het gevoel dat het volkomen rationeel is om de gegevens van één bevolkingsgroep keer op keer te verstrekken. Het is dus zeer terecht dat Rutte daarvoor diepe verontschuldigingen aanbied.
In mijn onderzoek van dit dossier zie ik minimaal 7 lijsten met namen en adressen van Joden die naar instanties of de Duitsers wordt gestuurd.

 

Meerdere malen aan J.L. Lentz, ‘hoofd der inspectie bevolkingsregisters’. Of aan de Procureur-generaal van de directie Politie. Maar ook door de Commissaris-Generaal voor Veiligheid, Grüppenführer Rauter. Deze laatste op 31 mei 1941.

In het dossier zien we ook de oproepbrief die de Joden ontvingen van de organisatie voor ‘Judische auswanderung’. Met alles was de Duitse bedriegers de Joden op de mouw spelden. Ze moeten zich op 2 oktober melden voor medische keuring in kamp Westerbork ten behoeve van ‘onder politietoezichtstaande werkverruiming in Duitsland’. Nu wij weten hoe het verlopen is…hoe onmenselijk geraffineerd is het Duitse systeem van Jodenvervolging geweest. Duizenden mensen hebben daaraan meegewerkt. Zij die de Joden de gaskamer in begeleiden en Zykon B in de ventilatoren gooiden, maar ook zij die heel plichtsgetrouw formulieren voor ‘werkverruiming in Duitsland’ invulden overal in Nederland. Natuurlijk staan ze niet op hetzelfde niveau, maar je ziet wel dat het een gerationaliseerd systeem van eerst bureaucratie en later moord was. En waarom in Nederland massaal werd meegewerkt is moeilijk in te schatten. Sommigen volgende blind de bezetter, enkelen hebben zich verzet, maar velen hebben niet de lef gehad om er tegen in te gaan, waren bang voor het lot van familie of plaatsgenoten. Dat burgemeesters bang waren voor represailles jegens hun bevolking was vaak terecht. Het was een doortrapt systeem. Het was niet voor niets dat premier Piet Gerbrandy in juni 1944 een moratorium uitvaardigde hij via de radio op liquidaties. ‘Gij zult geen daden van gewelddadig openlijk verzet plegen. Het zou den wreeden vijand slechts gelegenheid bieden represailles te nemen, veel en veel bloediger dan ooit te voren.’ Duitsers schoten voor elke geliquideerde NSB-er minimaal 3 Nederlanders dood. Voorbeelden uit Putten en andere dorpen gaan nu nog door merg en been.

In het dossier zien we minimaal 7 lijsten met namen van Joodse Hoogeveners. Met adres, geboorteplaats en geboortedatum. Adressen en huizen die we vandaag de dag nog kennen, van Echtenstraat, Schutstraat, Hoofdstraat of Bentinckslaan. Soms met extra opmerkingen onderaan genoteerd. ‘Ligt in Ziekenhuis’ of dat soort teksten. Ook na 3 oktober 1942 werd door de Duitsers twee keer om lijsten met vertrokken Joden gevraagd. Lijkt op controle achteraf….
Van alle lijsten is duidelijk dat sprake is van schriftelijke uitvraag door een instantie. Zoals we veel in de media hebben gelezen is er bij maar één brief geen schriftelijke opdracht van een instantie te vinden. Dat is de brief van 16 mei 1940. Deze zit heel bijzonder los voorin het dossier. In de brief wordt verwezen naar de Duitse Militaire Autoriteit. Het is ook een brief die veel simpeler is dan de andere brieven. De aanhef is met pen d’r op geschreven. De handtekening is wel een volledige en lijkt authentiek.
Het huis aan de Schutstraat 112 staat er nog steeds. Nu gewoon een woonhuis, een huis met veel geheimen? Het hoe en waarom van brief van 16 mei 1940 kan het ons waarschijnlijk niet vertellen. Een mondelinge opdracht die achteloos is opgevolgd?


Het zou een goede vraag zijn aan de NIOD als het gaat om de historie van Hoogeveen. Onderzoeksobject I de brief van 16 mei 1940: Wordt door de Duitse bezetter vaker gelijk bij de bezetting om gegevens van Joden gevraagd? Zijn er vastleggingen wat zich in die eerste meidagen op de Schutstraat 112 zich heeft afgesteld? Waarom wijkt deze brief zo af van de andere brieven? Had Tjalma kunnen weten wat de Duitsers met de gegevens gaan doen en heeft hij zelf ooit iets over deze brief gezegd (bijvoorbeeld bij de zuiveringscommissies)?

Verder zien we in het dossier diverse brieven vanuit het gemeentehuis, getekend door Tj, over de declaratie van onkosten. Voor wegvoeren zelf, voor het opruimen van spullen, voor onderzoek naar verdwenen spullen na de oorlog. Het is toonbeeld van bureaucratie dat, terwijl wij weten dat een bevolkingsgroep naar werkkampen werd afgevoerd, of terwijl later weten dat ze vermoord zijn, wij ons druk maken over paar honderd gulden aan gemeentelijke onkosten. Ergens is op de gemeentehuizen het gevoel of de empathie uitgeschakeld? Natuurlijk door NSB-ers, maar ook door niet-NSB-ers. In Nederland zijn velen passief geweest. Uit overtuiging? Uit angst?

2. Burgemeesters in oorlogstijd
De burgemeesters van Nederland blijven volop zitten op hun positie na 10 mei 1940, om de zaak nog naar je hand te zetten, anders worden NSB-ers benoemd, zo wordt gezegd. In de instructie van ministerie van BZ van 1937 wordt voor burgemeesters geschreven hoe om te gaan met een bezetter. Meewerken en de burgers beschermen was dé taak. Over Joden wordt niets specifiek iets gezegd. Maar in 1937 weet men in Nederland toch wel hoe de Duitsers met onze Joodse inwoners om zal gaan? De burgemeesters kregen in de oorlog voortdurend gewetensvragen. Men kon het eigenlijk niets goed doen. Als ze toegeven aan de Duitse opdrachten worden ze gezien als collaborateur. Verzetten ze te veel tegen de Oosterbuur, dan worden ze opgepakt, ontslagen en vervangen door NSB-er. Uiteindelijk zou Tjalma dat lot ook wachten. Dan is het al 1944. Hij had consequent de lijn van DG van ministerie van BZ uitgevoerd’. DG Frederiks had de burgemeesters opgedragen met zo min mogelijk schade en leed aan de burgerbevolking door de oorlog te komen. Is Tjalma een radertje in de bureaucratie van een gerationaliseerd vernietingsapparaat? Is hij zich daarvan bewust? En met hem zeker zo’n 300 andere burgemeesters? Of is hij een laf? Een Nederland die zich het lot van de Joden niet aantrekt omdat ze minderwaardig in zijn ogen zijn? Er zijn Christenen in Nederland die durven de stellen dat de Jodenvervolging een straf is voor de rol van de Joden bij de kruising van Jezus Christus. Beangstigd Godsbeeld.
Dat burgemeesters worstelden en dat vreemde besluiten zijn genomen over hun functioneren is duidelijk. Dit is mooi weergegeven door het historisch Tv-programma Andere Tijden: https://anderetijden.nl/aflevering/390/Burgemeester-in-oorlogstijd.

In dat portret van de Zwolse burgemeesters zien we ook hoe snel iemand aan de dijk gezet werd als deze zich anti-Duits gedroeg. De Zwolse burgemeester Van Walsum weigerde zelf iedere medewerking aan de Duitsers. Hij werd gearresteerd en op 26 juni als eerste burgemeester in Nederland ontslagen wegens zijn anti-Duitse houding. Op de achtergrond speelde zijn radiotoespraak rondom de gevluchte Wilhelmina in de burelen van BZ ook een rol? Van Walsum werd opgevolgd door Van Karnebeek, die in 1944 werd vervangen door NSB-burgemeester Meerkamp van Embden. Zou Tjalma en de andere Drentse burgemeesters geweten hebben hoe het in Zwolle was verlopen? Ook de burgemeester van Zwolle stuurde de lijsten met Joodse namen naar de Duitsers. De burgemeesters vroegen de DG Frederiks hoe zij om moesten gaan met de inzet van politie bij het oppakken van Joden….’ik voel me bezwaard’ zo schreef de Zwolse burgemeester. Hij moest vuile handen maken…

In najaar 1944 na de vraag om werkers voor de defensiewerken van de Duitsers stapte de Zwolse burgemeester op, toen wel…. Tjalma deed dat niet. Hij leverde 200 namen aan. Slechts 10 kwamen er. Had hij doelbewust namen genoemd van mannen die al weggevoerd of ondergedoken waren? Volgens het verzet ging Tjalma daarna aan de slag om aannemers te vragen mensen te leveren. Na aandringen van het verzet (zo zou A. Zandbergen later verklaren) staakte Tjalma die werkzaamheden. Daarmee tekende hij zijn eigen ontslag. De Duitsers voerden hem af naar Huis van Bewaring in Groningen. Zuid-Nederland was al deels bevrijd, werkte dat mee in de afweging van Tjalma? Nu ben ik wel genoeg de Duitsers ter wille geweest? Hoeveel contact was er tussen Tjalma en Zandbergen? Wist Tjalma van de opvattingen van het verzet, hadden ze er discussies over? Interessante vragen. De zuiveringscommissies waren duidelijk, hadden burgemeesters eind 1944 nog meegewerkt aan het ronselen werkkrachten om de verdediging voor de Duitsers te bouwen, dan vielen ze bij de zuivering door de mand. Ook bij Tjalma werd zijn rol rond die werving hem zwaar aangerekend. We lezen dat de burgemeester voldoende ‘sabotage moet hebben gepleegd’ om gezuiverd te worden. Het optreden van Tjalma rondom het werven van mensen voor zou nader onderzocht mogen worden.

Onderzoeksobject II. Wat is er bekend rondom de werving van werkers aan de verdedigingswerken? Hoe waren de verhoudingen tussen Tjalma en het verzet in Hoogeveen. Wat ligt er vast in de memories van de verzetshelden van Hoogeveen e.o.?

Op 2 op 3 oktober worden in heel Drenthe de Joden opgepakt. Thijs Rinsema uit Meppel heeft in 2004 een boek van 600 pagina’s geschreven over de Joden. Hij constateert dat de gemeente en de politie hebben meegeholpen 180 Joden die nacht van 2 of 3 oktober af te voeren. Rinsema ziet niets in de registratie van het logboek van de politie. De dag 2 oktober is leeg gebleven. Zie: https://www.youtube.com/watch?v=GtZ2zvyogDs. En overal horen we van onderzoekers dezelfde verhalen: burgemeesters en ambtenaren hebben netjes de namen doorgegeven. Zelfs medio september 1942 vlak voor de razzia’s in heel Drenthe.

De rol van de burgemeesters is uitgewerkt door Lourens Looijenga in 2017. Met steun van comité 4/5-mei, Stg HCKW, RTV Drenthe en het Drents Archief. Een genuanceerde weergave van de moeilijke rol van de burgemeester. Zie daarvoor: http://www.drentheindeoorlog.nl/?aid=539

Maar is er dan geen verzet gepleegd? Zeker. Mackay van Meppel verzet zich direct tegen de Duisters. Hij wordt in 1941 al vervangen. Slechts één burgemeester zo schrijft Looijenga heeft zich verzet (als eerste in Nederland) tegen de vervolging in 1942. H.J. Wytema uit Beilen vertikt het om de politie opdracht te geven de Joden op te halen op 2 en 3 oktober 1942. Interessant genoeg om verder op in dit verslag eens stil te staan bij deze voorbeeldige burgemeester. Bijzonder interessant is wel dat Wyntema in 1941 (toen Tjalma vast zat in kamp Schoorl en Buchenwald) waarnemend burgemeester van Hoogeveen is geweest. Hoe ging Wytema in juni 1941 tot oktober 1941 om met de opdrachten van de Duitsers voor Hoogeveen? En waarom lezen we niets van verzet in die periode?

Onderzoeksobject III. Hoe ging deze bekende zich verzettende burgemeester in die periode om met uitvragingen van instanties t.a.v. Joden? En wat zegt dat over de verhoudingen op het gemeentehuis in Hoogeveen?

Deze bijzondere burgemeester Wytema werd volgens de geschiedschrijvers van Midden-Drenthe burgemeester van Beilen als 30-jarige omdat de CdK de Vos van Steenwijk hem kende als rechtenstudent uit Leiden. Wytema had uit die tijd en via zijn netwerk (vader was o.a. Burgemeester van Rotterdam) veel informatie over de Duitse bezetter al voor de oorlog. Hij zag toen al het gevaar van het totalitaire systeem van het nationaal-socialisme goed in. Het wakkerde zijn ongerustheid over de Duitse bezetter alleen maar aan. Hij bleef in de oorlog echter zijn functie wel gewoon uitoefenen, ook nadat de gemeenteraad in september 1941 was ontbonden. Wytema handelde in dezen, zoals nagenoeg alle burgemeesters die aanbleven. Hun handelen bestond voornamelijk uit het uitvoeren van circulaires van de bezetter, het handhaven van de openbare orde en het leidinggeven aan ambtenaren en politie.

In de eerste dagen van oktober 1942 werd ook in Beilen duidelijk dat alle Joden uit de Beiler gemeenschap opgepakt zouden worden. Politieman (en verzetsheld) N.G. Viëtor hoorde dat op 1 oktober 1942 tijdens een bijeenkomst in Groningen. Vier politieagenten uit Beilen hoorden het een dag later in Assen. Van de politieagenten werd verwacht dat ze alle joden tussen 2 oktober (18.00 uur) en 4 oktober (14.00 uur) zouden oppakken en op transport stellen naar kamp Westerbork. Op 2 oktober 1942 om 18.00 uur ’s avonds maakten de Beiler politieagenten nog geen aanstalten om aan hun opdracht te beginnen. Toen enkele Duitse militairen om 19.30 uur het gemeentehuis betraden, hoorden zij dat burgemeester H.J. Wytema weigerde om zijn agenten hiertoe opdracht te geven. Van alle gemeenten in Nederland was burgemeester Wytema de eerste die zijn politiemannen geen opdracht gaf de joodse burgers op te pakken. Daarentegen verzocht hij Viëtor heimelijk alle joodse gezinnen te waarschuwen voor het dreigende gevaar. Zijn voorbeeld werd gevolgd door H. de Wit uit Wildervank en in een later stadium door de burgemeesters van Ermelo en Borculo. David Rosenberg heeft na de oorlog met burgemeester Wytema nog wel eens over die bijzondere uren op vrijdag 2 oktober 1942 en de gebeurtenissen erna gesproken. David Rosenberg: “Later vertelde burgemeester Wytema mij dat Seyss-Inquart, bij wie hij voor verhoor was voorgeleid, hem gevraagd had, waarom hij dat alles voor de joden had gedaan? Wytema antwoordde: “Ik heb dat helemaal niet voor de joden gedaan. Ik ben jurist en de Nederlandse wet voorziet niet in het arresteren van burgers zonder wetsovertreding. Ik had geen enkele rechtsgrond.” Het ging Wytema hier om het rechtsbeginsel van ‘habeas corpus’, waarbij iemand alleen gevangen mocht worden genomen op een gerechtelijk bevel. Het ‘arresteren’ van de joodse Nederlanders berustte op geen enkel juridische grond. Technocratische jurist of empathische verzetsman? Slim antwoord jegens deze Nazi-moordenaar? We weten het niet.

Op 2 en 3 oktober 1942 werden toch 34 Beiler joden naar Durchgangslager Westerbork afgevoerd. Deze groep werd met tien joodse patiënten uit Beileroord aangevuld. Het gevolg van de weigering van Wytema was dat hij door de Duitse bezetter gevangen werd genomen en van 3 oktober 1942 tot december 1942 vastzat in het Huis van Bewaring in Assen. Hij werd justitieel vervolgd, werd als burgemeester ontslagen en buiten de provinciegrenzen verbannen. Wytema werd een te weinig ‘Deutschchfeindliche’ (in feite: ‘Nazifeindliche’) houding verweten. Na zijn vrijlating uit het Huis van Bewaring in Assen, betrok Wytema met zijn vrouw en zijn twee kinderen en een ‘au pair’ een ruime, pittoreske, eenzame boerderij in de bossen van Dalfsen, Bokkenberg genaamd, die als vakantiewoning (zonder elektriciteit, modern sanitair of kraanwater) was ingericht. Voor zijn vertrek uit Beilen bracht hij het serviesgoed en zijn bibliotheek bij notaris T.W. van der Ley in bewaring. Wytema had bewust een verblijf zo dicht mogelijk bij Beilen gezocht. De Bokkenberg, waarvan de eigenaar een Zwolse zakenman was, lag tussen pachtboerderijen en buitenverblijven van plaatselijke adel. Wytema zou zich gaan wijden aan het schrijven van een boek, maar bleef contact houden met vroegere medewerkers en verzetsvrienden uit Beilen en omstreken, zoals ondernemer Klaas Westerbeek en politieman Nico Viëtor. Zo bleef hij op de hoogte van het wel en wee van de Beiler bevolking. Na het ontslag van Wytema werd op 7 oktober 1942 dr. mr. W.S. Gelinck, burgemeester van Ruinerwold, als waarnemend burgemeester benoemd.
Je ziet dus dat Wytema anders handelde dan de andere burgemeesters van Drenthe. Mackay stapte als eerste op. In 1941 waren de burgemeesters nog volop positief over samenwerken met de bezetter. Mackay niet en werd dan ook direct vervangen. In Assen werd Lohman ontslagen en in Westerbork Gualtherie van Weezel. In 1944 stapte o.a. Meyboom (Diever) en Gaarland (Gasselte) op. Ook daarin waren de niet-NSB-burgemeesters niet eenduidig. Overigens is wel duidelijk dat het vervangen worden door een NSB-burgemeester grote nadelige gevolgen heeft. De NSB-burgemeester van Schoonebeek is fanatiek Joden-jager en de NSB-burgemeester van Diever weet in periode 1944-1945 in korte tijd door ‘inhuren’ van de Bloedgroep Norg verzet en onderduikers op te jagen en te arresteren.

Die verschillen tussen burgemeesters is een goede onderzoeksvraag die NIOD/Romijn hebben met hun enorme kennis gemakkelijk moeten kunnen beantwoorden. Ook is het goed om de rol van de politie mee te nemen in het onderzoek. Onderzoeksobject IV.

3. Verzet vanuit het gemeentehuis
Albert Metselaar geeft aan dat er in de top van de Hoogeveense ambtenarij alleen maar slapjanussen zaten. Dat me zich heeft laten leiden door de Duitsers. Niet heeft willen inzien hoe verrot de Duitse doelstellingen waren. Was er dan geen verzet onder ambtenaren in Hoogeveen?


Bekende verzetsheld (en HZVV-oprichter) Albert-Jan Rozeman is en ambtenaar bij de gemeente Hoogeveen en belangrijke schakel in het verzet. Ook gaf hij leiding aan een hervormde jongelingsvereniging. Rozeman was sterk anti-Nazi’s. Hij schreef en verspreidde al in 1940 anti-Duitse pamfletten Later verspreidde hij ook de illegale bladen Vrij Nederland en Trouw. Als leider van een hervormde jongelingsvereniging hield hij anti-nationaalsocialistische lezingen en weerhield leden ervan zich te melden voor de arbeidsinzet.
Rozeman ontwikkelde zich tot het centrale punt van het verzet in Zuid-Drenthe. Eind 1942 stond hij aan de wieg van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). In Hoogeveen werd hij naast LO-leider, geestelijk leider van de plaatselijke knokploeg en de ziel van het ambtenarenverzet. Daarnaast was hij actief betrokken bij het landelijk verzet van de gereformeerde Anti Revolutionaire Partij (ARP). Zijn huis, dat hij deelde met zijn vader en zuster, diende regelmatig als onderduikplaats voor belangrijke mensen uit het verzet. Rozeman was één van de organisatoren van de overval op 17 februari 1944 op het postkantoor van Hoogeveen, waarbij 13.000 bonkaarten werden buitgemaakt.

Als gevolg van een arrestatie in Beilen overviel de Sicherheitspolizei op 20 maart 1944 Rozemans huis en arresteerde hem en zijn vader. Op 2 juni 1944 werd Rozeman ter dood veroordeeld. Vier dagen later werd hij met 28 andere verzetsmensen in het duingebied bij Overveen gefusilleerd en in een massagraf begraven. Zijn vader overleed door uitputting op 30 januari 1945 in het concentratiekamp Sachsenhausen.

Rozeman is een van de 94 personen aan wie het Verzetskruis 1940-1945, de een na hoogste dapperheidsonderscheiding van Nederland, is¨toegekend. Tevens kreeg hij in verband met zijn hulp aan geallieerd vliegtuigpersoneel postuum het Amerikaanse Eisenhowercertificaat. Dat is toch geen leidzame en plichtsgetrouwe Deutschfreundliche ambtenaar. Hoe zou hij tegen de rol van de burgemeester Tjalma aan gekeken hebben?

De helden van het verzet blijken er na de oorlog velen te zijn. Dat het verzet georganiseerd was werd door historici ontkracht. Er waren er die contacten onderhielden maar er was ook een wilde verzetsgroep, die van De Krim. Een groep die zich niks aantrekt van andere groepen. Een groep die veel risico’s neemt. Behalve de school in Fort, steekt de groep ook de blikfabriek te Hoogeveen in brand. Het meest geruchtmakend is wel hun overval van 29 juli 1943 op het gemeentehuis en distributiecentrum van Schoonebeek. Die dag eindigt rampzalig. De overvallers schieten de burgemeester en twee ambtenaren dood. Ook verzetsman De Boer overlijdt. Op 13 en 26 juli gaan ook nog eens boerderijen in vlammen op van NSB’ers in Drogteropsla¬gen en Pesse. De reactie van de bezetters is hard.

Er worden als represaille mensen doodgeschoten in Hoogeveen, want het dialect van de overvallers zou die afkomst hebben verraden. Op 1 augustus worden op voordracht van een NSB-kopman, de notaris Johannes Mulder, onderwijzer Adriaan Baas en jonkheer Marinus Willem Cornelis de Jonge in het Spaarbankbos doodgeschoten. Op 3 augustus worden ook de Joods broers Van der Wijk daar gefusilleerd. Verzet plegen en risico’s afwegen. Ook al zo’n onmogelijke opgave uit de oorlog.

Interessante vraag voor NIOD/Romijn zou kunnen zijn: hoe was het verzet georganiseerd in het gemeentehuis en wat was de rol van Tjalma daarbij. Heeft hij het verzet tegengewerkt of heeft hij hen in de luwte gehouden? Onderzoeksobject V.

4. Actie voor Tjalma
Bij onderzoek in het archief van wijlen Lammert Huizing kwam een bijzondere ontdekking tevoorschijn. In een plakboek over de tweede wereldoorlog van de heer Herman Riks komt een krantenbericht (en de originele) foto van een actie voor Tjalma teruggevonden. Het was vast niet zonder risico’s om met oranje verf de tekst ‘geef ons Tjalma weer’ op het bordes van het vrij nieuwe gemeentehuis te schilderen. Dat is ten tijde van zijn eerste gevangenneming en dus al in 1941.

Tjalma zat vast in Schoorl en Buchenwald in de periode juni tot oktober 1941. Bijzonder dat mensen veel risico namen om het voor Tjalma op te nemen…Herman Riks schrijft dat hij daar aan mee gedaan heeft. Jammer genoeg kunnen we hem niet meer vragen. Wat bracht Tjalma in Buchenwald. Zijn politieke achtergronden zo lezen wij. Maar Buchenwald is een kamp met een heel slechte naam. Dit zijn de cijfers: In Buchenwald zaten gedurende het bestaan van het concentratiekamp 238.979 mensen opgesloten Daarvan kwamen er 56.545 om het leven, waaronder 11.000 Joden. Zou Tjalma zijn ogen uitgekeken hebben in dit concentratiekamp? In die periode had het kamp zo’n 7.500 gevangenen. In het jaar 1940 overleden er bijna 2.000 mensen in dat park. Tjalma is dus vast zelf getuige van de moordlustige Duitsers. We lezen over dit kamp: ‘Vanaf september 1941 arriveerden ook Sovjet krijgsgevangenen in het kamp. Er werd een speciale executieplaats aangelegd, waar men in de daaropvolgende twee jaar ongeveer 8000 van deze krijgsgevangenen met een nekschot executeerde’. In deze periode bevind Tjalma zich in dit kamp…. Tjalma weet dus waarschijnlijk heel goed hoe zich de Duisters zich in het Oosten van Duitsland gedragen. In het kamp zitten Sovjets, Polen, Sinti, Roma, Joden uit heel Europa en enkele honderden Nederlanders. Veelal mensen uit het verzet. Zo arriveerde er in 1941 een groep Nederlandse gevangenen van de verzetsgroep De Geuzen in het kamp. Van deze Geuzen uit Schiedam waren er al 15 op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd. Onder het zingen van psalm 43 vers 4 ‘Dan ga ik op naar Gods Altaren’ schoten de Duitsers hen dood. Zou Tjalma van deze verzetsgroep gehoord hebben waar de Duitsers toe in staat waren?

Er zijn verschrikkelijke foto’s van Buchenwald. Hier een ‘mobiele galg’ waar gevangenen overal op het terrein kunnen worden opgehangen. 

We weten van een brief uit 7 juli 1943 dat Tjalma er beducht was op represailles tegen inwoners. Bij een overval op de metaalfabriek Drenthina waar diverse in beslag genomen radio’s werden gestolen door het verzet. Tjalma haast zich om de autoriteiten op diverse manieren uit te leggen dat in Hoogeveen alles is gedaan om de overval te voorkomen en dat de bewakers zwaar werden bedreigd door 5 overvallers met revolvers. Heel opmerkelijk is dat de overvallers door Tjalma via het taalgebruik als niet-Hoogeveners worden getypeerd. En dat hij dan in de laatste zin erop wijst dat Hoogeveen niet gestraft (letterlijk beboet) hoeft te worden. Hierbij een kopie van de brief.

Vraag zou kunnen zijn, welke dreigingen waren tegen de burgermeester van Hoogeveen bekend? Welke invloed hadden de gevangennemingen en de gijzeling gehad? Wat heeft Tjalma in Buchenwald meegemaakt en hoe is hij daar weer uitgekomen? Onderzoeksvraag VI. 

5. Zuiveringen
Op 19 april 1945, 8 dagen na de bevrijding duikt Tjalma weer op in Hoogeveen. Hij is dan sinds 22 februari 1944 ontslagen en opgepakt. In september 1944 komt hij vrij en duikt onder. Tjalma moet na de oorlog voor verschillende zuiveringscommissies verschijnen. De commissaris van de Koningin de baron R.H. de Vos van Steenwijk (lid van de PvdV nu VVD) droeg de Drentse burgemeesters op om zo lang mogelijk op hun post te blijven. Deze CdK zorgde er voor in juli 1945 dat de Tjalma ondanks veel klachten over zijn optreden toch weer burgemeester van Hoogeveen kon worden. Uit het (niet vrij toegankelijke) archief (archief 193b-1-i) van NIOD blijkt dat door de provinciale raad der illegaliteit een klacht is ingediend tegen Tjalma. Dit wordt behandeld door de commissie Zuivering van de Staten-Generaal. Dit viel onder het ministerie van Binnenlands zaken. Daar is de KVP-er L.J.M. Beel de minister. Later wordt hij in 46-48 en in 58-59 nog minister-president van Nederland. De katholieke Beel kan moeilijk als politiek vriend van Tjalma worden gezien. Daarvoor zijn KVP en ARP nog ver van elkaar verwijderd. Maar hij zorgt er wel voor dat Tjalma lid van de tweede kamer kan blijven. Verzetsman Zandbergen botst met Tjalma al tijdens de oorlog. Hij roept de burgemeester op om zijn post te verlatene en onder te duiken. Hoe is de rol van het verzet na de oorlog geweest. Wat hebben ze tegen Tjalma ingebracht bij de zuiveringscommissie?

De provinciale zuiveringscommissie, zo heeft Albert Metselaar uitgebreid beschreven, willen Tjalma niet terug. Maar in de 2de kamer komt hij wel door de zuiveringsonderzoeken. Er wordt met verbazing over geschreven.
Minister Beel sprak na de oorlog over de burgemeesters hun beginselvastheid kwijt waren geraakt. Van Karnebeek uit Zwolle wordt op zijn ‘geschipper’ aangesproken en daarom is hij zeer teleurgesteld. Had hij niet uitgevoerd wat gevraagd was? Meebuigen om ergers te voorkomen? Hij neemt ontslag. 50 kilometer noordelijker gaat het juist andersom. Tjalma wordt zijn geschipper niet aangerekend door minister Beel. Het is volledig om de Niod-onderzoekers dat te laten onderzoeken. Deze tegenstrijdigheid met andere casussen. Zeker met de uitgewerkte casus van Zwolle. Of zou er toch meer te zeggen zijn over het handelen van Tjalma?

Maar Hoogeveen en in de tweede kamer zijn niet de enige locatie waar Tjalma moet worden doorgelicht. Hij blijft nog tot juni 1946 in de Tweede kamer zitten. Een jaar later treed Tjalma, namens de ARP, toe tot de eerste kamer. Dat houdt hij vol tot 1966. In 1951 wordt hij geridderd. En in 1963 zelf uitgeroepen tot ereburger van Hoogeveen. Ik mag toch aannemen dat, gezien alle gevoeligheden rondom de rol van burgemeesters, het criterium ‘heeft u voldoende sabotage gepleegd’, de heer Tjalma bij deze gelegenheden goed is doorgelicht.
Wel weten wij dat Tjalma tegen de klachten bij de zuiveringscommissie bezwaar heeft gemaakt. In de NIOD-archieven zouden zijn bezwaarschriften zijn opgeslagen. Ik zie hier voor Te Slaa/Romijn nog een interessante vraag. Waren de bezwaarschriften van Tjalma zo duidelijk dat hij door de Vos van Steenwijk en Beel niet ontslagen hoefde te worden? Waren er argumenten om Tjalma anders te behandelen? Onderzoeksvraag VII.

KVP-er en minister van BZ: Louis Beel

6. Eerste ereburger van Hoogeveen
Natuurlijk is het vernoemen van en park of een brandweercentrale opvallend, maar m.i. steekt het ereburgerschap daar nog wel bovenuit. De toenmalige gemeenteraad (in meerdere raadsavonden) heeft daarover beslist. De raadsvergadering van 27 juni 1963 is uitgebreid gedocumenteerd. De bijdragen aan herstellend Hoogeveen van Tjalma worden volop geprezen. En de raad bestond toen overigens niet alleen uit ARP-ers en CHU-ers. Interessant zijn deze beraadslagingen wel. We lezen in de persberichten over de waardevolle inzet van Tjalma voor Hoogeveen na de oorlog. Hoe hebben de bestuurders na de oorlog gesproken over deze burgemeester. Hoe hebben zij de oorlogstijd en de na-oorlogse tijd afgewogen. En zouden wij de kennis van nu dat nog net zo doen? De afwegingen rondom het ereburgerschap zijn voor mij onderzoeksvraag VIII.

 

In de pers van die dagen wordt hij niet kritisch bejegend…

Bij Metselaar lezen we daar niets over, maar hoe heeft Hoogeveen dat in 1963 dan afgewogen? De afweging anno 2020 die ligt op ons bordje. Hoe gaan we om met een burgemeester die Hoogeveen door crisis probeerde te halen en die betrokken is bij de werving van grote werkgevers. Dan een bijzondere en ellendige periode 40-45. Hoe kwalificeren wij in het licht van die tijd, met represailles en zware straffen, zijn optreden, hoe kwalificeren wij de documenten die hij instuurde naar de door nazi’s bestuurde overheid. En dan de prestaties van de opbouw-burgemeester. Te Slaan en Romijn zullen er nog een heel klus aan hebben om tot goed onderzoek en juiste conclusies te komen. We lezen bij Romijn in zijn boek een best afgewogen oordeel.
O ja, bijzonder is wel om in het verslag van 27 juni 1963 te lezen dat de eerder genoemde A.R. Zandbergen daarbij aanwezig was? Onder protest? Een mooie onderzoeksvraag om de notulen op ondermeer op de rol van A.R. Zandbergen en J. van Aalderen na te kijken. Onderzoeksvraag IX.

7. Peter Romijn en zijn boek/onderzoek
Zijn naam is al meerdere keren gevallen. College van B&W van Hoogeveen wilde deze toponderzoeker van het NIOD inhuren.

Maar Romijn heeft al 6 pagina’s van zijn 600 over burgemeesters in oorlogstijd geschreven over Tjalma. Hij vond hem een bijzondere casus, dat kunnen we duidelijk lezen. Dat burgemeester en ambtenaren in Hoogeveen, zoals in honderden andere gemeenten volop voldaan hebben aan de uitvraging van instanties dat weten we al. Maar wat schrijft Romijn daarover. Veroordeeld hij deze bestuurder voor zijn gedrag in de WO II?
Wij lezen in het boek van Romijn op pagina 636 toch wel dat hij kanttekeningen plaatst bij de zuiveringen. De commissaris van de Koningin de Vos van Steenwijk maakt bezwaar tegen de systemen die bij de zuiveringen gehanteerd worden. De Vos komt op voor de burgemeesters die in Drenthe nu door zuiveringscommissie aangepakt worden. De Vos noemt ondermeer het dossier van Tjalma als voorbeeld hoe zuiveringen uit de bocht vliegen zo schrijft de Romijn. De werving van arbeidskrachten voor werken aan de verdedigingswerken werd hem negatief aangerekend. Romijn schrijft echter ook ‘maar er waren ook zaken die in het voordeel van de burgemeester spraken. Hij had ingestemd met verzetsactiviteiten van lagere ambtenaren en toegestaan dat onderduikers sociale ondersteuning kregen’. Zaken waarvoor Wytema van Beilen geprezen werd. De zuiveringscommissie heeft echter veel moeite met Tjalma. De adviescommissie die de zuivering beoordeeld (na het bezwaarschrift van Tjalma?) schrijft dat Tjalma waarschijnlijk ‘scherper werd bekritiseerd’. Dit werd gekoppeld aan het lidmaatschap van de Tweede kamer.

Tjalma wordt meerder keren beoordeeld. De voorzitter de heer van Boeijen van Centraal Orgaan raad aan: ‘geen burgemeester meer, wel lid van de Tweede kamer’. Bijzonder advies. Blijkbaar had hij het als kamerlid nog niet zo gek gedaan…. ? Dan gaat Tjalma de beoordeling van de commissie Scholten in. Deze nemen het advies van Van Boeijen c.s. over. Dat advies gaat naar minister Beel. Die besluit weer omgekeerd…. We weten van Romijn dat er in de zuiveringen veel fout is gegaan. Wederhoor was lastig. De voormalige verzetsmensen hadden een duidelijke agenda. Slapjanussen moesten vervangen worden door krachtige kerels, die in de oorlog zich bewezen hadden.

Onderzoeksvraag VIII is te achterhalen waarom van Beel dit deed? Is op de procedure en is op de bewijsstukken van de zuiveringscommissie, centraal orgaan en de commissie Scholten iets aan te merken? Waaruit blijkt de conclusie van Romijn t.a.v. het optreden van de burgemeester inzake het instemmen met verzetsactiviteiten? 

8. Geen conclusie
Moeten we ons druk maken over een park en een kazerne zo vragen inwoners van Hoogeveen mij in deze dagen zo vlak voor 75-jaar herdenking? Het park anders noemen is voor mij persoonlijk kleine moeite. Park van de Vrijheid? En dan (er is vast nog een Drents of Haags kunstpotje) kunstenaars laten uitbeelden wat vrijheid voor hen betekend? Dan hebben we iets wat de tot nadenken stemt. De kazerne is volgens mij een punt voor brandweer (veiligheidsregio Drenthe), dus blijft het ereburgerschap over. Om daar een besluit over te nemen wachten wij de uitkomsten van onderzoekers Te Slaa en Romijn af.  Dan mogen de raadsleden van Hoogeveen oordelen. Ik doe dat in het licht van Romeinen 2.

Dat diepe excuses voor het handelen van de Nederlandse overheid in Nederland op haar plaats is daar is geen discussie over. Rutte zette de toon. Niet alleen de burgermeesters, maar ook de lokale politie en andere instanties zouden we dan moeten behandelen.  Er staat ons nog wel iets te wachten. Daarnaast moeten de vrijding van de monsterlijke nazi-macht ook nog even vieren….

Bijlage het leven van J. Tjalma